




Eindelijk konden we
maandag dan vertrekken, na een week verwaaid te hebben gelegen in
Vlieland. Alleen was er nu praktisch helemaal geen wind, zodat we op
motor en grootzeil Vlieland verlieten. Een box verder naast ons lag
een 40-foot X-yacht, waar we in de verwaaiweek mee in contact kwamen.
Zij wilden naar het Limfjord. Uiteindelijk zagen we op de AIS dat ze
terug gingen naar Texel en uiteindelijk naar hun thuishaven
Hellevoetsluis. Wel ging een Engelsman met ons mee in een Westerly
Conway 36, genaamd de “Oleander of Arne” met als thuishaven
Cowes. Zijn vrouw stapte in Vlieland af om later in Cuxhaven weer op
te stappen, zodat de Engelsman “Single Handed” de boot ging
overvaren, zoals hij zelf zei. Het eerste stuk om het gat bij
Vlieland uit te komen, was geheel tegen de NW-wind in. Er stonden nog
heftige golven van de afgelopen week en een hoge deining. Het was ook
akelig koud met een temperatuur van niet meer dan 11 graden. Daarna
langs de waddeneilanden kregen we de wind van achter maar te weinig
om te zeilen. In de ochtend hadden we veel regen, maar gelukkig kwam
het zonnetje in de middag tevoorschijn. Tegen half elf gingen we
nacht in. Ondanks alle kledinglagen konden we het niet warm krijgen.
We hadden dan ook de dieselkachel maar aangezet. Door het voortdurend
schommelen van boot vanwege de hoge deining kreeg de schipper weer
eens last van zeeziekte, mede door vermoeidheid en de kou, zodat we
besloten om niet meer nachten door te varen. Om 6:00 uur in de
ochtend kwamen we bij de ommedraai van de Elbe-ingang aan, maar
helaas veel te vroeg, zodat we nog fikse stroom tegen hadden en niet
harder dan 3,5 knoop vooruit kwamen. Even over twaalf uur kwamen we
bij de sluizen van Brunsbüttel aan, waar we een lange tijd moesten
wachten op het invaren van een vrachtboot en een super motorjacht,
genaamd Calypso I en geregistreerd in Malta. Het motorjacht is
gebouwd door Mulder Shipyard in Nederland, is 36 m lang met een accommodatie voor tien gasten in vier cabines en zes bemanningsleden.
Het jacht vaart nu door het Noord-Oostzeekanaal, mogelijk richting
een Oligarch. Om kwart over één konden we de sluis verlaten en
voeren we richting het Gieselaukanaal, waar we wilden overnachten. In
de sluis raakte we in een grappig gesprek met een opstapper van een
Southerly jacht, een Engels jacht met ophaalkiel, die het Götakanaal
wilden bevaren. Ze waren over het wad gekomen. Hijzelf had ook een
boot een Ovni 34, ook met ophaalkiel, die hij in Zweden voor de
winter had laten staan voor de volgende zomer. Ook hij had al een
keer het Götakanaal bevaren en gaf dit als aanbeveling aan ons mee.
Om 16:30 uur kwamen we in het Gieselaukanaal aan, dat een verbinding
vormt met de Eider, die uitkomt onder het West-Duitse wad bij Pellworm-Sylt. Bij de
sluiswachter konden we de sluiskosten van het Noord-Oostzeekanaal al
betalen. Handig want dan hoeven we bij de sluis Kiel/Holtenau niet
naar de betaalautomaat op de aparte wachtsteiger We hadden 210 Nm
gevaren op het log en 188 Nm over de grond, meer tegenstroom gehad
dan meestroom. En om bij te slapen gingen we heel vroeg naar bed.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten